Passend Onderwijs

Op de Triangel vinden we het belangrijk dat kinderen onderwijs op maat krijgen. Kinderen hebben verschillende talenten gekregen. De een leert snel, de ander langzamer; de een heeft dyslexie en weer een ander is heel visueel ingesteld. Gelukkig zijn kinderen verschillend van elkaar. We merken dat er steeds meer namen komen voor specifieke ontwikkelingen.

Zo zitten er op de Triangel kinderen met:
Kenmerken van Autisme, ADHD, NLD, HSP, hoogbegaafdheid, dyslexie, dyscalculie, ODD, kinderen met een ontwikkelingsprobleem op het gebied van hechting, stotteren, en nog meer…

De vraag is nu maar wie er eigenlijk ‘normaal’ is? Het team van de Triangel heeft door de jaren heen veel ervaring opgedaan in het werken met kinderen met deze specifieke kenmerken.

Al deze kenmerken zorgen er voor dat we niet zomaar er vanuit kunnen gaan dat kinderen op dezelfde manier en in hetzelfde tempo leren. Daarom willen we op hen afstemmen wat ze gaan leren. Te denken valt daarbij aan: samenwerkingsvormen, zelfstandig werken, computer gebruik en projectonderwijs. Daarnaast is de klasseninrichting zo veel mogelijk afgestemd op de werkvormen. Zo worden instructies voor kinderen gegeven volgens het zogenaamde directe instructiemodel, waarbij na een korte uitleg de meeste kinderen aan het werk kunnen. Kinderen die extra instructiebehoefte hebben, worden door de leerkracht uitgenodigd aan de instructietafel voor een herhaalde instructie, de ‘re-teaching’.
Ook voor 'pre-teaching' wordt deze instructietafel gebruikt. Terwijl de leerkracht aan de instructietafel zit met een of meer kinderen, heeft de rest van de klas te maken met uitgestelde aandacht van de leerkracht. Zij kunnen dan de leerkracht niet om hulp vragen en moeten zelf een oplossing zoeken. Daarbij mogen zij in de meeste gevallen hulp vragen aan een ander kind uit het werkgroepje.

Ook het gebruik van een denkstappenkaart,  hulpmaterialen of het overgaan op een andere taak, kan er voor zorgen dat de betreffende leerling niet stilvalt. Tussen de instructies door maakt de leerkracht regelmatig een hulpronde, zodat acute problemen kunnen worden opgelost. De leerlingen gebruiken hun 'zelfstandig werken-kubus' om op geruisloze wijze aan te geven dat zij een vraag hebben. Daarmee is het bekende 'vinger opsteken' tijdens bijvoorbeeld de rekenlessen voorbij. De leerkracht gebruikt ook symbolen in de vorm van een stoplicht. Ook is elk lokaal voorzien van twee klokken waarop een kind kan zien hoeveel tijd het nog heeft voor een bepaalde taak. Onderdeel van moderne werkvormen is zelfcorrectie. Dat betekent dat de kinderen bij een aantal vakken en/of momenten zelf hun werk nakijken, onder toezicht van de leerkracht. De centrale vraag voor de leerling is dan niet per sé 'hoeveel had ik er goed of fout', maar meer 'wat kan ik al en wat nog niet'. Op die manier is de leerling veel meer betrokken bij het leerproces dat hij doormaakt. Leerkrachten stimuleren de kinderen daarmee om zich verantwoordelijk te voelen voor hun leerproces en om meer procesgericht te leren dan prestatiegericht. 

 

Handelingsgericht werken


Steeds meer gaat de Triangel over op deze manier van werken waarbij het voor de leerkracht zichtbaar is hoeveel instructie elk kind nodig heeft. Dat klinkt logisch, maar is in werkelijkheid een groot verschil met de oude manier van werken. Eerder keek een leerkracht naar de lesstof die hij of zij aan de kinderen aanbood. Nu wordt er steeds vaker gekeken naar waar de kinderen behoefte aan hebben. Om het praktisch te houden wordt de klas ingedeeld in drie groepen:

  • Kinderen die veel instructiebehoefte hebben
  • Kinderen die een basisinstructiebehoefte hebben
  • Kinderen die nagenoeg geen instructie nodig hebben

De voorgaande toets bepaalt in welke groep kinderen worden ingedeeld. De indeling heet een groepsplan. Kinderen met bijvoorbeeld dyslexie hebben meer instructiebehoefte dan kinderen die een gemiddelde leesontwikkeling laten zien. Het doel blijft voor alle kinderen hetzelfde.


 

Lesstofaanpassing


Als of een of andere manier de basisstof niet aansluit bij een kind, kan besloten worden of meer of minder werk te geven. Hierbij wordt ook rekening gehouden met de leerstijl van het betreffende kind. Als het leren erg moeilijk gaat, wordt er een zogenaamd ‘ontwikkelingsperspectief’ afgesproken. In dat plan staan doelen tot en met groep 8 beschreven. Het streven is dan om aan het einde van groep 8 het eindniveau van groep 6 te hebben bereikt. Dat is een met voortgezet onderwijs afgesproken aanvaardbaar minimumniveau om door te kunnen gaan met een VMBO-opleiding. Dergelijke afspraken worden altijd samen met ouders en de IB-er gemaakt.